donderdag 1 maart 2012

MILL EN ZIJN HEILIGE WILLIBRORDUS 3.)



De bestuurders over onze gewesten, tijdens de ‘periode Willibrordus’ waren de Pepijnen van Landen en Karel van Herstal. Ons Land van Cuijk wordt in de geschiedschrijving in het boek van Van Heessel *) genoemd : als “hebbende een Heer (..)” We schijven dan de 8ste eeuw. O.a. Pepijn van Herstal (van Landen) was een van die mannen, die altijd en graag ruzie maakte met Radboud, koning van de Friezen. Deze volken verbleven langs de Noordzeekust vanaf Duitsland tot Noord-Frankrijk. De Friezen waren nog heidenen, barbaren, zeiden de tot het Christendom bekeerde FRANKEN onder Pepijn. Die moesten veroverd worden. Dat hij Willibrord daar naar toestuurde was voor Pepijn wellicht een politieke zaak.

Mogelijk heeft hij de Paus zelfs vooraf ingelicht ! Voor Pepijn was er alles aan gelegen om die Friezen minder moord- , wraak- en roofzuchtig te maken ! Waren ze eenmaal bekeerd tot hetzelfde geloof, dan stelden zij zich gelijk onder hetzelfde bestuur en was veroveren een fluitje-van-een-cent.

Pepijn contra
RadboudBovenstaande foto is een afbeelding van het DOOPSEL van Radboud, koning van de Friezen. Een van de beroemde legenden, die verhaalt, dat RADBOUD zich zomaar niet gewonnen geeft. Het is geborduurd op en deel van een altaarkleed uit 1510 en komt uit het boek Langs Willibrods Wegen, in 1989 uitgegeven door Museum Van Gerwen-Lemmens Valkenswaard. De oude Willem (+ 1994) kon daar zo heerlijk over vertellen. Hoe Radboud alleen zijn tenen in het doopwater houdt en dan aan Willibrord vraagt, of ook zijn voorvaderen in de hemel zijn. Die waren nl. niet gedoopt. Dus zegt Willibrord: “ Die zijn niet in de hemel …”.
Sommigen beweren, dat Willibrord ondiplomatiek gezegd zou hebben, dat ze in de hel zaten.

Waarop Radboud zich terugtrekt uit het doopwater en opmerkt; “ Ik ga toch liever daar, waar mijn voorvaderen zijn, dan naar de hemel bij jullie armoedige lieden, die ik niet ken !” **)

Willibrord had het niet makkelijk in zijn contacten met de koningen. Hij stelde zich vaak kwetsbaar op. Daarom moest hij nogal eens vluchten ! Hij verbleef dan meestal in het Zuiden, rond de Peel, in Susteren of Echternach. Ook hij kende blijkbaar De Oudste Weg Naar De Peel.

Niet alleen Radboud stribbelde tegen, ook de Pepijnen konden maar moeilijk hun Christengedrag op het juiste niveau houden. Hoewel ze veel HEILIGEN in de familie hadden, moest de bisschop nogal eens corrigerend optreden. Lambertus, de bisschop van Maastricht berispte eens een van de Pepijnen en moest dit later met de dood bekopen. Dat neemt niet weg en dat kon ook allemaal in die tijd, dat Hubertus, bekeerling en neef van Pepijn toch weer bisschop wordt van Maastricht en later van Luijk.

Foute situatie ?
Allemaal verhalen die een eigen leven zijn gaan leiden. Zo ook het verhaal van De la Hay, de archivaris van Baarle Nassau & Hertog. De la Hay beweert ijskoud, dat Willibrordus nooit in De Lage landen is geweest, maar zich altijd heeft opgehouden in Noord-Frankrijk en Zuid-Belgiƫ. Hij vergelijkt dit met een verschijnsel in onze regio, waar de Heren van Cuijk in een dag zowel Katwijk, Heeswijk en Vianen konden aandoen. In de 12de eeuw waren dat al gehuchten, die voorkwamen in de omgeving van Cuijk, terwijl men in den lande dacht aan Katwijk aan Zee, Vianen bij Utrecht en Heeswijk in de Meierij. Volgens De la Hay zou Trajectum (Utrecht) Tournehem zijn, gelegen bij Calais en de Monden van de Rhenus (Rijn) lagen ook in Noord-Frankrijk. Ook verklaart hij dat Utrecht pas na 800 is ontstaan !

In de Gelderlander van halfweg 1995 stond te lezen, dat de doopbelofte, die Willibrord in onze taal gebruikte, geschreven is in de 8ste eeuw in onvervalst Saksisch dialect : “ Ec Gelobo in Got, Alemahtigan Fadear (ik geloof in God almachtige Vader) Moge het zo zijn !!(wordt vervolgd).

Henk van de Weem(chroniqueur)

bronnen :Albert De la Hay : Dorestadum - Waderlo : 1977*) J.B. van Heessel: Vrije en Soevereine Heerlijkheid 1978**) Wampach : Sankt Willibrord 1953publicatie De Koerier 29/11-95

Geen opmerkingen: